Veelgestelde vragen
Sinds wanneer bestaan fotovoltaïsche zonnecellen?
In 1839 ontdekte de Franse natuurkundige, Edmond Becquerel, het fotovoltaïsch effect: tussen twee metaalplaatjes in een geleidende vloeistof loopt een stroom als een van beide plaatjes belicht wordt. Hij gebruikte koperdioxide ondergedompeld in een elektrolyt.
In de jaren 1860 ontdekte Willoughby Smith de fotogeleidende eigenschappen van selenium.
In de jaren 1870 vorden W.G. Adams en R.E. Day verder onderzoek naar de fotovoltaïsche eigenschappen van selenium.
In 1874 maakte de Amerikaanse uitvinder Charles Fritts de eerste zonnecel van selenium en goud. De efficiëntie van die eerste zonnecel was echter minder dan 1%.
In 1887 ontdekte H. Hertz het foto-elektrische effect in metaal.
In 1904 publiceerde Albert Einstein zijn monografie over het foto-elektrische effect. Zijn theorie bouwde voort op Max Plancks principes van de kwantummechanica. In de jaren 1920 en 1930 zou verder toegepast onderzoek worden uitgevoerd. Dit onderzoek betekende een doorbraak in de wetenschappelijke verklaring van het fotovoltaïsch effect.
In 1954 ontdekte Gordon Pearson de fotovoltaïsche eigenschappen van silicium. Pearson werkte vervolgens samen met Charles Fuller en Darryl Chapin om de efficiëntie van silicium zonnecellen te verbeteren. Ze realiseerden een efficiëntie van 4% tot 6%.
In de late jaren 1950 besloot de NASA dat zonnecellen een ideale energiebron zouden zijn voor de ruimte. Dat inzicht bracht het onderzoek naar fotovoltaïsche energie in een stroomversnelling. In 1958 werd de eerste satelliet met zonnecellen gelanceerd, de Vanguard I.
Midden jaren 1970 werd de geïndustrialiseerde wereld opgeschrikt door het olie-embargo. Dat was het startschot voor de financiering van onderzoek naar alternatieve energiebronnen, inclusief fotovoltaïsche energie.
Einde jaren 1990 steeg de interesse in fotovoltaïsche energie sterk als gevolg van de toenemende bewustwording over milieuzorg en het veiligstellen van de toekomstige energievoorziening.